Belangrijke termen in het zwemmen op een rijtje!

Floor van den Nieuwenhoff

Zwemmerswoordenboek

Gebruik je zwemtrainingsprogramma's? Dan kom je wellicht woorden en/of afkortingen tegen waarvan je nog nooit hebt gehoord. Om je zwemtraining makkelijker te maken leggen we hieronder alle belangrijke zwemtermen aan je uit!

Termen

Uitleg

R15” of R1’

15 seconden rust of 1 minuut rust.

Overhaal

De fase van de zwemslag, waarin je je armen óver het water van achteren naar voren haalt.

Hele slag

Het gebruik van zowel je benen als je armen bij de desbetreffende zwemslag.

Doorhaal

De fase van de zwemslag waarin je je armen onderwater van voren naar achteren haalt.

Vingers ‘slepen’

Met je pols gestrekt en je vingers half onderwater rustig in de overhaal je hand tegen het water in naar voren bewegen. Handpalm wijst hierbij gedurende de hele tijd naar achteren en je duwt als het ware je hele hand frontaal naar voren.

Hondjesslag

Maak met de handen een kommetje. Strek je handen één voor één uit en ‘trek’ het water met een schepbeweging naar je toe. De handen zijn de hele tijd onderwater.

Schoolslag met dubbele armslag

Een extra armslag nadat je een hele schoolslagbeweging (arm- en beenslag) hebt gemaakt.

Schoolslag met dubbele beenslag

Een extra beenslag nadat je een hele schoolslagbeweging (arm- en beenslag) hebt gemaakt.

Wisselslag

4 opeenvolgende zwemslagen in de volgorde: vlinderslag- rugslag – schoolslag – borstcrawl.

Flipperen / dolfijnsprongen

Als een dolfijn naar de bodem duiken, afzetten met je voeten van de bodem, uit het water omhoog komen en weer in het water duiken, wederom omlaag naar de bodem enz. Je kunt hierbij de hele tijd je handen voor houden, of je maakt tijdens het uit het water komen een vlinderslag beweging.

Vlinderkicks

Vlinderbeenslag, vanuit je borstbeen

W-vorm bij de schoolslag

Knieën bij elkaar, onderbenen naar buiten en trek je voeten naar je toe.

Y-houding armen

Je handen met rechte armen breder dan je schouders in het verlengde van je romp houden.

Samengestelde rugslag

Vanuit een goede horizontale ligging op je rug een schoolslag beenslag maken waarbij je, op het moment dat je benen een rondje draaien, je armen tegelijk vanaf de heupen uit het water komen. Op het moment dat de handen achter je hoofd liggen en de benen gesloten zijn (uitdrijfmoment) breng je de armen weer onderwater terug naar je heupen (daarna wederom uitdrijf moment alvorens opnieuw te beginnen).

Glijfase

Het moment dat de hand vlak onder de wateroppervlakte naar voren glijdt tot volledige strekking.

Catchfase

Het moment dat de uitgestrekte hand het water ‘pakt’, door de vingertoppen naar beneden te laten wijzen.

Trekfase

Na de catch de hand onder je naar je toe trekken (in één lijn met de onderarm). Je trekt hierbij het lichaam als het ware ‘over’ het water; waarbij de elleboog hoog aan de wateroppervlakte blijft. Op schouderhoogte staat je onderarm loodrecht op het water. Je schouder en hand liggen op één lijn.

Duwfase

Je ‘duwt’ als het ware het water zo ver mogelijk naar achteren, waarbij de hand zo lang mogelijk in verticale positie blijft.

Slagfrequentie

Het aantal zwemslagen per minuut.

Slaglengte

De afstand die met 1 zwemcyclus wordt afgelegd.

Bijleggen

Je zwemt arm voor arm, dus als de ene arm na de insteek weer gestrekt vóór ligt (hoog aan de wateroppervlakte), begin je pas met de doorhaal van je volgende arm.

Dubbel bijleggen

Idem als bijleggen maar nu 2 armslagen met dezelfde arm maken.

Dubbele insteek

Insteken, hand weer uit het water halen (met vingertoppen eerst) en dan nogmaals insteken; nog verder door strekken. Het lijkt op insteken en dan een golfje maken met de hand.

Wrikken voor

Heel goed voor het watergevoel!

Houd je armen gestrekt voor in het verlengde van je schouders. Beweeg met je handen lichtjes naar buiten (niet verder dan schouderbreedte!) en naar binnen/ ellebogen zijn daarbij bijna gestrekt. Je vingers wijzen actief naar beneden.

Wrikken midden

Armen zijwaarts met ellebogen net voor je schouders en net onderwater. Hoek tussen boven- en onderarmen is 90 graden. Beweeg de onderarmen naar binnen en naar buiten waarbij de bovenarmen stil blijven staan. Vingers blijven in verlengde van de onderarm.

Je maakt een soort achtvormige beweging vanuit je pols.

Wrikken achter

Armen zijn gestrekt achter, naast je heupen. Beweeg alleen je armen steeds een klein beetje naar buiten en naar binnen.

Hieltik bij de schoolslag

Leg je handen op je billen. Hakken naar je handen brengen, waarbij je je knieën niet onder je trekt.

Schouder-aantik bij de borstcrawl

Tijdens de overhaal: tik met je duim je schouder aan, houd je elleboog hoog en breng je hand vervolgens over het water zo ver mogelijk naar voren.

Stroomlijnen

Leg bij de afzet je handen op elkaar, strek je helemaal uit (van top tot teen, waarbij je benen goed bij elkaar zijn), druk je spierballen tegen je oren, leg je hoofd tussen je armen en blijf naar de bodem kijken. Buik- en bilspieren goed aan blijven spannen!

Onderwaterfase

De fase na de start en na elk keerpunt dat je onderwater zwemt. Van afzet in stroomlijn, naar vlinderkicks, naar borstcrawlbenen en de overgang naar het zwemmen (break out).

Fallback keerpunt

Keerpunt bij vlinderslag, schoolslag en wisselslag, waarbij je geen koprol maakt, maar je voeten onder je lichaam intrekt.

Tuimelkeerpunt

Keerpunt waarbij je een koprol maakt voordat je de andere kant op zwemt.

Steigerung

Versnelling van een X% naar X%

Supermanhouding

1 arm voor en 1 arm achter.

Coördinatie-oefeningen

Oefeningen waarbij je 1 element van je slag extra oefent, bijvoorbeeld borstcrawl waarbij je in de overhaal je oksel aantikt om de hoge elleboog in de overhaal te oefenen of schoolslag met een dubbele beenslag om de beenslag extra te benadrukken.

Rompstabiliteit

Core-stability, dus de stabiliteit van de kern van je lichaam (buik, billen, rug en heupen).

Ademhaling 1:2, 1:3, 1:4, 1:5

1:2 betekent dat je steeds naar 1 kant ademhaalt en dat iedere 2 armslagen doet (dus na 1 rechter arm slag en 1 linkerarmslag)

1:3 betekent om en om rechts en links ademen, waarbij je tussendoor steeds 3 armslagen zwemt

1:4 weer naar 1 kant, maar nu na 4 armslagen

1:5 om en om rechts en links, met 5 armslagen ertussen

Adembeperking

Minder vaak ademen, maar adem wel op tijd, zodat je niet helemaal achter adem komt.

Bilaterale ademhaling

Afwisselend ademen aan beide kanten. Zo adem je afwisselend links en rechts.

Laterale ademhaling

Ademen aan steeds dezelfde kant.

Actief herstel

Actief bewegen (doorzwemmen) op een lage intensiteit.